Zoete kersen

Naamgeving en herkomst

Zoete kersen worden ook wel “krieken” genoemd en behoren tot de soort Prunus avium. Daarnaast kennen we nog zure kersen die ook wel “walen” worden genoemd, waarvan de ‘Morel’ het bekendste voorbeeld is. De zure kers is echter van een andere botanische soort die de naam Prunus cerasus draagt. Dan is er ook nog een soortkruising van de zoete kers en de zure kers die ook wel wordt aangeduid als “royalen”, waarvan de ‘Meikers’ het bekendste voorbeeld is.

Omdat het om verschillende botanische soorten gaat, hebben zoete kersen en zure kersen derhalve diverse verschillende kenmerken. Daarnaast is het zo dat de zoete kers (Prunus avium) diploïd is (heeft dus twee setjes chromosomen, 2n = 2x = 16), terwijl de zure kers (Prunus cerasus) tetraploïd is (heeft dus vier setjes chromosomen, 2n = 4x = 32).

Omdat in de collectie van FruitLent alleen zoete kersen zijn opgenomen, zal hierna alleen stil worden gestaan bij de zoete kers.

Er is niet al te veel bekend over de herkomst van de zoete kers. De soort stamt mogelijkerwijs uit de streek tussen de Zwarte Zee en de Kaspische Zee. Vast staat deze herkomst echter allerminst. Er is een versie die er van uit gaat dat de eerste zoete kersen in de Griekse kolonie Kerasos aan de Zwarte Zee groeiden. Van daaruit zouden ze door een Romeinse generaal zijn meegenomen naar Rome en verder verspreid zijn over het Romeinse rijk.

Tegenwoordig komt de zoete kers als gecultiveerde boom en als verwilderde soort in grote delen van Europa en ook in Noord-Amerika en Azië voor.

Kenmerken en teelt

De zoete kers is een bladverliezende boom die wel 25 meter hoog kan worden. Na de veelal uitbundige bloei heeft de kersenboom ten opzichte van andere fruitgewassen relatief korte tijd nodig om rijpe vruchten te geven. De vruchten van de zoete kers kunnen te lijden hebben van barstgevoeligheid en rot onder invloed van regenval.

De meeste kersenrassen hebben vruchten die in het rijpe stadium rood tot zwartrood van kleur zijn. Dit is echter geen vanzelfsprekendheid. De kleur van de rijpe vruchten kan (al naar gelang het ras) namelijk variëren van zuiver geel tot zwartrood, met alle denkbare schakeringen daartussen. Rassen met gele tot roodgele vruchten worden commercieel echter niet geteeld, omdat deze er optisch minder aantrekkelijk uit zien en daarom door consumenten niet worden gevraagd. Daarom vinden we in de commerciële teelt alleen rassen met rode tot zwartrode vruchten.

De rijptijd van de rassen varieert en wordt gewoonlijk aangegeven met kersenweken. De allervroegste rassen rijpen in de eerste kersenweek. De eerste kersenweek begint in Nederland al rond 1 juni. Er bestaan weliswaar een handjevol rassen die in de eerste kersenweek rijpen, doch daar zitten tot nu toe geen commercieel bruikbare rassen tussen. Daardoor zult u dergelijke zeer vroeg rijpende rassen niet snel aantreffen.
Doordat voor de eerste kersenweek nog steeds geen goede commerciëel bruikbare rassen beschikbaar zijn, begint het kersenseizoen in Nederland feitelijk pas in de tweede kersenweek (derhalve ongeveer de tweede week van juni). De allerlaatste kersen sluiten het seizoen rond eind juli af, ofwel de achtste à negende kersenweek.
Omdat er geen commerciëel bruikbare rassen voor de eerste kersenweek beschikbaar zijn, wordt deze eerste kersenweek in de hedendaagse vakliteratuur soms ook wel “vergeten”; er is daardoor soms voor gekozen om alle kersenweken met één week op te schuiven. Dit lijkt ons echter niet gewenst; het is beter vast te houden aan de bestaande systematiek, aangezien het immers niet ondenkbaar is dat er door gerichte veredeling alsnog rassen voor de eerste kersenweek beschikbaar komen die een bruikbare aanvuling kunnen zijn op het reeds beschikbare commerciële assortiment.

Tegenwoordig zijn nieuwe onderstammen beschikbaar die ervoor zorgen dat de bomen die op deze onderstammen zijn geënt veel minder krachtig groeien en sneller in productie komen, terwijl de vruchten toch ongeveer hun normale grootte behouden. De tijd dat kersenbomen op zeer ruime plantafstanden moesten worden geplant en vervolgens zeer groot werden, ligt daarmee definitief achter ons.

De bekendste nieuwe onderstam van dit moment is ‘GiSelA 5‘ en wordt inmiddels gezien als de standaard-onderstam voor zoete kersen. Uit het veredelingsprogramma in Giessen komen nog meer GiSelA-nummers. Er wordt op dit moment ook geëxperimenteerd met de onderstammen ‘GiSelA 6’ (iets groeikrachtiger dan ‘GiSelA 5’) en ‘GiSelA 3’ (minder groeikrachtig dan ‘GiSelA 5’). Uit een ander Duits veredelingsprogramma komt de nieuwe onderstam ‘Piku 4.20’, waar eveneens mee wordt geëxperimenteerd.

De navolgende oudere onderstammen worden in de nieuwe commerciële beplantingen niet meer gebruikt:
– ‘F 12/1’ (zeer sterke groeikracht);
– ‘Limburgse Boskriek’ (sterke groeikracht);
– ‘Colt’ (tamelijk sterke groeikracht).

Bloei en bestuiving

Alhoewel er enkele zoete kersenrassen bestaan welke in meer of mindere mate zelfbestuivend zijn, geldt voor de meeste rassen dat kruisbestuiving met andere ongeveer gelijktijdig bloeiende rassen noodzakelijk is voor een goede vruchtzetting.

Al heel lang is bekend dat bepaalde rassen elkaar wel kunnen bestuiven, terwijl bepaalde andere rassen elkaar niet kunnen bestuiven. Rassen die elkaar niet kunnen bestuiven worden ingedeeld in dezelfde steriliteitsgroep. Er zijn in de loop der tijd diverse steriliteitsgroepen gedefinieerd waarbinnen de diverse rassen worden ingedeeld.

Voorheen moest proefondervindelijk worden vastgesteld tot welke steriliteitsgroep een ras behoorde. Dergelijke proeven waren niet alleen erg arbeidsintensief, het duurde ook vele jaren voordat betrouwbare informatie beschikbaar was.

De laatste jaren is veel wetenschappelijk onderzoek gedaan naar de genetische achtergronden van de bestuiving bij kersen. Door de bevindingen hiervan kunnen tijdrovende proeven om te achterhalen welke rassen bestuivingscombinaties kunnen vormen nu achterwege blijven.
 Lees hier verder over de wetenschappelijke achtergronden over de bestuiving van zoete kersen.

Commerciële aspecten

De zoete kersenboom is natuurlijk vooral bekend om haar vruchten die worden gebruikt voor verse consumptie of voor diverse vormen van (industriële) verwerking. Het hout van de kersenboom wordt echter ook wel gebruikt voor meubels en gereedschappen.

Omdat het lange tijd onmogelijk was om zoete kersen in kleine boomvorm te telen, was de teelt aan het einde van de 20-ste eeuw bijna uit Nederland verdwenen. Her en der resteerden op dat moment nog enkele hoogstamboomgaarden. Door de zeer grote bomen waren de arbeidskosten voor de verzorging en de oogst te hoog geworden. Bovendien was bij dergelijke grote bomen kunstmatige bescherming tegen vogels vrijwel onmogelijk.

Sinds de jaren ’90 van de vorige eeuw is de teelt in Nederland echter weer sterk in opkomst. Dit heeft twee belangrijke oorzaken. De eerste oorzaak is het feit dat de omvang van de bomen door de komst van nieuwe zwakker groeiende onderstammen beter in toom kan worden gehouden. Daardoor komen de bomen eerder in productie, wordt het oogsten minder arbeidsintensief en is het eenvoudiger om vogelafweernetten aan te brengen. Bovendien kunnen boven de moderne beplantingen eenvoudiger plastic regenkappen boven de bomen worden aangebracht om de vruchten te beschermen tegen de regen.
De tweede belangrijke oorzaak voor de terugkeer van de kersenteelt in Nederland is de komst van diverse nieuwe grootvruchtige rassen met sterk verbeterde eigenschappen ten opzichte van de oude rassen. Sinds de komst van de nieuwe rassen wordt een gemiddeld vruchtgewicht van minimaal 10 gram als norm gezien. Verouderde rassen (zoals ‘Meikers’, ‘Vroege Duitse’, ‘Varikse Zwarte’, ‘Mierlose Zwarte’, ‘Wijnkers’, ‘Inspecteur Löhnis’ en ‘Hedelfinger Riesenkirsche’) voldoen geen van allen aan deze huidige norm. Deze rassen komen nu alleen nog voor in oudere boomgaarden en verdwijnen daardoor langzaam van het toneel.

Zoete kersen worden op commerciële basis in diverse werelddelen geteeld. In Europa zijn Griekenland, Italië, Frankrijk, Zuid-Duitsland, België en Turkije belangrijke productiegebieden.

Sinds de Suzuki’s fruitvlieg (ofwel Aziatische fruitvlieg, Drosophila suzukii) in 2012 in Nederland voor komt, is de aantasting van rijpe vruchten een serieus probleem geworden in de kersenteelt. Deze fruitvlieg is er de oorzaak van dat sommige hobbytuinders besloten hebben hun kersenbomen te rooien.

Omschrijving collectie FruitLent

De aanplant in FruitLent bestaat uit negen verschillende bomen in laagstam. Omdat gebruik werd gemaakt van de moderne onderstam ‘GiSelA 5’ kon worden gekozen voor een relatief beperkte plantafstand van 1,75 meter. Bij de bomen is druppelbevloeiing met een capaciteit van 4 liter per uur aanwezig.

Er is gekozen voor diverse rassen die een doorsnede moeten voorstellen uit het allerbeste assortiment van vroeg tot laat rijpende moderne grootvruchtige rassen van dit moment. Daarnaast zijn als curiositeit nog enkele andere rassen aanwezig met geel of bont gekleurde vruchten.

Er is ervaring opgedaan met de navolgende rassen :