Pruimen (Europese cultuurpruim)

Naamgeving en herkomst

De pruim zoals we deze in West-Europa kennen wordt tot de soort Prunus domestica gerekend. Daarnaast is er een tweede botanische soort die de naam Prunus insititia draagt. Tot deze laatstgenoemde soort worden wel de kleinvruchtige kroosjespruimen en mirabellen gerekend, terwijl de overige vormen tot de eerstgenoemde soort worden gerekend. Zowel Prunus domestica als Prunus insititia hebben zes setjes chromosomen (2n = 6x = 48).

Duidelijk is dat Prunus domestica en Prunus insititia zeer verwant zijn aan elkaar. Wij van FruitLent voelen dan ook veel voor de zienswijze dat het eigenlijk om één botanische soort gaat, waarbij Prunus insititia slechts een ondersoort of cultivargroep is binnen de allesomvattende soort Prunus domestica. Ongeacht of het nu wel of niet om twee “verschillende” soorten gaat noemen we deze: Europese cultuurpruimen. De Europese cultuurpruim moet niet worden verward met de Japanse pruim (elders op deze website).

De preciese herkomst van de Europese cultuurpruim is al langere tijd onduidelijk. De soort komt in het wild namelijk niet voor, behalve dan verwilderde vormen van gecultiveerde pruimen. Dat het een soort is die alleen in menselijke cultuur voorkomt, wordt al gesuggereerd door het latijnse woord ‘domestica‘. Literatuur over pruimen gaat meer dan 2.000 jaar terug en men denkt dat de pruimenteelt al meer dan 4.000 jaar bestaat.

De taxonomen M.B. Crane en W.J.C. Lawrence gaan er in hun wetenschappelijke publicaties uit de eerste helft van de vorige eeuw van uit dat de Europese cultuurpruim is ontstaan uit een soortkruising tussen de sleedoorn ofwel sleepruim (Prunus spinosa) en de kerspruim ofwel myrobalaan (Prunus cerasifera). Het leefgebied van deze twee botanische soorten overlapt in de Kaukasus en daar zou derhalve de soortkruising op natuurlijke wijze kunnen zijn ontstaan. Daarbij zou de Europese cultuurpruim volgens Crane en Lawrence vier setjes chromosomen van de tetraploïde (4x) sleedoorn en twee setjes chromosomen van de diploïde (2x) kerspruim hebben geërfd.

Door de resultaten van latere onderzoeken wordt de bovenstaande theorie weer in twijfel getrokken. Onder andere omdat kunstmatig gemaakte hexapoïde (6x) soortkruisingen tussen sleedoorn en kerspruim qua kenmerken onvoldoende op de Europese cultuurpruim bleken te lijken, maar ook om andere redenen.
Volgens nieuwere onderzoeken zouden 2x, 4x en 6x vormen van de kerspruim aan de basis staan van de Europese cultuurpruim. De sleedoorn zou dus niet aan de basis staan. Sterker nog: uit andere onderzoeken blijkt dat de sleedoorn zelf een soortkruising betreft (tussen Prunus cerasifera en Microcerasus microcarpa).

Wij zijn geïnteresseerd indien u betrouwbare informatie heeft over de ontstaansgeschiedenis van de Europese cultuurpruim (e-mail). Met de hedendaagse mogelijkheden in DNA-onderzoek moet het toch mogelijk zijn om dit alsnog te achterhalen.

Kenmerken en teelt

Pruimen groeien aan bladverliezende winterharde bomen, welke in april rijkelijk bloeien met witte bloesems.

De bloesems van veel pruimenrassen zijn zelfbestuivend, sommigen zijn gedeeltelijk zelfbestuivend en sommigen zijn niet zelfbestuivend. Voor deze laatste categorie is kruisbestuiving derhalve noodzakelijk. Alhoewel de bestuivingsmogelijkheden net als bij zoete kersen en bij Japanse pruimen worden bepaald door het systeem van gametofytische zelfincompatibiliteit (GZI), is het bij pruimen zo dat bijna alle rassen in staat zijn om elkaar te bestuiven, zo lang de bloeiperiodes voldoende overlap vertonen. Dit komt omdat pruimen hexaploïd zijn (2n = 6x = 48), waardoor het bijna altijd zo is dat twee rassen op minimaal één van de zes S-allelen verschilt.

De vrucht die na de vruchtzetting onstaat is een echte steenvrucht. Afhankelijk van het ras rijpen de vruchten vanaf begin juli tot in oktober. Er is tussen de rassen dus erg veel variatie aanwezig in rijpingstijdstip. De meeste commerciële rassen rijpen echter in de maanden augustus en september.

Al naar gelang het ras kunnen de vruchten qua kleur variëren: groen, groengeel, geel, geelrood, rood, paarsrood, paars, blauw, zwartblauw. Ook qua vorm van de vruchten bestaat veel variatie. En ook qua smaak en gebruiksmogelijkheden zijn de verschillen erg groot. Door deze enorm grote variatie, zijn er in het verleden diverse pogingen gedaan om de diverse rassen in te delen in verschillende cultivargroepen. In 1940 werd door de Duitse onderzoeker K. Röder de navolgende indeling gepubliceerd:

  • Reine Clauden of rondpruimen (ook wel: spp. italica): hiermee worden de rassen bedoeld die zijn afgeleid van de originele ‘Reine Claude verte’. Deze rassen hebben vruchten met (meestal) een ronde vorm en een zoete smaak;
  • Mirabellen en kroosjespruimen (ook wel: spp. insititia): hiermee worden de rassen bedoeld die ook wel werden c.q. worden ingedeeld in de afzonderlijke botanische soort Prunus insititia. Deze rassen geven kleine ronde kersachtige vruchtjes. Deze hebben over het algemeen stevig (vrij droog) vruchtvlees met een los liggende steen en een zoete smaak. De bomen van sommige oudere rassen kunnen een doornige groeiwijze vertonen. Omdat de vruchtjes lijken op die van de kerspruim, kunnen deze hiermee worden verward. De kerspruim is echter van een andere botanische soort (Prunus cerasifera). Bepaalde kroosjespruimen werden / worden ook wel als onderstam toegepast;
  • Kwetsen en damastpruimen (spp. oeconomica): hiermee worden de rassen bedoeld met langwerpige spitse vruchten. De oudere kwetsenrassen hebben meestal een wat zurige smaak en rijpen gewoonlijk later in het seizoen;
  • Half-kwetsen of ook wel echte pruimen (spp. intermedia): dit is eigenlijk een verzamelgroep van alle tussenvormen die niet in één van de andere categoriën passen. Qua vorm kunnen de vruchten van deze groep dan ook variëren van rond tot ovaal tot langwerpig.

Ondanks de bovenstaande grove indeling in diverse cultivargroepen, blijft het erg onoverzichtelijk en is elke indeling arbitrair. Dit komt ook omdat er nieuwe rassen onstaan uit kruisingen tussen rassen uit verschillende cultivargroepen. Hierdoor mixen de eigenschappen en vervagen de grenzen van de diverse cultivargroepen. Zo bestaan er inmiddels bijvoorbeeld nieuwe rassen die wel tot de mirabellen worden gerekend, doch die veel grotere vruchten hebben. Of nieuwe kwetsenrassen die een formidabele smaak hebben en/of vroeg afrijpen. Mede doordat de bovenstaande indeling in cultivargroepen al dateert van 1940, is deze achterhaald te noemen. Daarom is er veel voor te zeggen om af te stappen van deze indeling en het woord “pruim” gewoon te gebruiken als verzamelnaam voor het hele palet aan vormen, kleuren en smaken.

Commerciële aspecten

De vruchten van de Europese cultuurpruim kennen veel verschillende gebruiksmogelijkheden. Naast verse consumptie kan worden gedacht aan drogen, inmaken op siroop, jam, als vulling voor taarten en vlaaien, pruimenwijn en voor gedestilleerde dranken (zoals sliwowits en eau-de-vie). Er bestaan zeer veel verschillende rassen die veelal zijn afgestemd op één of meer van de genoemde gebruiksmogelijkheden.

De Europese cultuurpruim wordt van origine in geheel Europa en in het westen van Azië geteeld. Daarnaast is zij geïntroduceerd in andere werelddelen, zoals Noord-Amerika, Australië en Nieuw-Zeeland. In andere werelddelen worden echter ook veel Japanse pruimen geteeld, welke in botanisch opzicht niet mogen worden verward met de Europese cultuurpruim.

In Nederland worden Europese cultuurpruimen veel buiten geteeld, zowel bij professionele telers als bij hobbyisten. Incidenteel worden bepaalde rassen van de Europese cultuurpruim in Nederland ook wel onder glas geteeld en er wordt op professionele basis geëxperimenteerd met de vervroeging in kunststof tunnelkassen.

Er wordt een opleving van de professionele pruimenteelt in Nederland verwacht, omdat de teelt kan worden geintensiveerd bij het gebruik van zwakker groeiende onderstammen, zoals de uit Rusland afkomstige onderstam ‘VVA-1‘ (‘Krymsk 1’ ®), welke sinds enkele jaren voor de West-Europese markt beschikbaar is.

Omschrijving collectie FruitLent

De aanplant in FruitLent bestaat uit 9 verschillende bomen in laagstam-vorm, welke zijn geplant op een plantafstand van 5,00 x 3,70 meter. De bomen zijn voorzien van druppelbevloeiing met een capaciteit van 4 liter per uur.

Veel van de aanwezige rassen zijn voor Nederlandse omstandigheden niet gangbaar en zijn onder andere uitgekozen op basis van ziekteresistentie.

Er is ervaring opgedaan met de navolgende rassen:

Multi-culti pruimenboom:

Dan hebben tot slot we nog een bijzondere pruimenboom in onze collectie. Deze noemen we onze “multi-culti pruimenboom”. Deze boom is bij ons gestart als een boom van het ras ‘Wignon’ (RGF). Omdat dit ras echter niet zo goed beviel, hebben we besloten om diverse takken van deze boom af te zagen en te voorzien van enten van diverse andere (veelal nieuwe laatrijpende) rassen. Dit ziet er vlak na het enten als volgt uit: