Rasbeschrijving zoete kersen

Grace Star

Dit ras is ontwikkeld door S. Sansavini en S. Lugli van het Dipartimento di Colture Arboree (DCA) van de Universiteit van Bologna (Italië). Het ras is ontstaan uit een open bestuiving (in 1984) van ‘Burlat’ en werd vervolgens in 1992 geselecteerd. Onder kweeknummer ‘DCA BO 84.703.003 (F23)’ werd de selectie getest tot 2000, waarna deze in 2001 als ‘Grace Star’ werd geïntroduceerd.

Rijpt middentijds (4-de tot 5-de kersenweek). De vruchten hebben een aantrekkelijk uiterlijk. Ze zijn groot (10 gram en meer), glanzend, hartvormig symmetrisch, donkerrood van kleur en hebben een lange steel. Het roze gekleurde vruchtvlees is tamelijk stevig en goed van smaak. Middelmatige barstgevoeligheid.

De bomen groeien middelsterk met een licht opgerichte groeiwijze en ze vertakken redelijk goed. De bloeitijd valt middenvroeg. De S-allel combinatie is S4’S9.
Door het S4′-allel zijn de bloesems van ‘Grace Star’ zelfbestuivend. Daardoor is ‘Grace Star’ zeer productief (risico op overproductie) en kan ‘Grace Star’ daardoor bovendien zelfstandig worden geplant (zonder andere rassen in de nabijheid). Ook kan ‘Grace Star’ universeel gebruikt worden voor de bestuiving van andere rassen die ook middentijds bloeien.

De vruchten kunnen zeer dicht op elkaar hangen. Hierdoor drogen ze na een regenbui langzamer op, waardoor rot kan opstreden en één rotte vrucht bovendien snel naburige vruchten kan aansteken.

De boom werd op 8 maart 2012 in FruitLent geplant en is geënt op de moderne onderstam ‘GiSelA 5‘. De boom droeg in 2013 voor het eerst enkele vruchten en gaf in 2014 al een volle oogst. Het gemiddeld vruchtgewicht is 10,4 gram (2013), 12,5 gram (2014) en 11,0 gram (2015).