Rasbeschrijving braamhybriden

Braamhybriden

De braam en de daaraan verwante soorten worden aangeduid met de botanische geslachtsnaam Rubus. Met de naam ‘braamhybriden’ wordt geduid de groep planten die zijn ontstaan door bramen te kruisen met andere Rubus-soorten. In de meeste gevallen wordt geduid op kruisingen van braamachtigen met frambozen, welke daarom ook wel ‘braambozen’ worden genoemd. In Engelstalige landen is de term “hybrid berries” hiervoor in gebruik geraakt.

Het geslacht Rubus is sowieso erg complex, met honderden zo niet duizenden beschreven soorten, met veelvuldige onderlinge hybridisatie en met polyploïdie.
Alle Rubus-soorten hebben een basis aantal chromosomen van x = 7. Ploïdieniveaus vanaf diploïd (2n = 2x = 14) tot maximaal tetradecaploïd (2n = 14x = 98) komen echter voor.
De complexteit van het Rubus-geslacht stelt botanici derhalve voor een grote uitdaging teneinde te komen tot een eenduidige en breed gedragen classificatie. De wetenschap die zich bezig houdt met de classificatie van Rubus-soorten heeft zelfs een eigen naam: batology.

De geschiedenis van de meest bekende braamhybride, de Loganbes, begon omstreeks 1883 toen de Californische rechter en hobbytuinier James Harvey Logan (1841–1928) in zijn tuin in Santa Cruz bij toeval een kruising vond tussen de octoploïde braam ‘Mr Aughinbaugh’ (2n = 8x = 56) en de rode framboos ‘Red Antwerp’ (2n = 2x = 14). Het bewijs voor het tot stand komen van deze kruising was in die tijd niet te leveren en de vermeende oorsprong van de Loganbes leidde vervolgens ruim 50 jaar lang tot discussies. Rechter Logan was zelf van mening dat hij een toevallige kruising tussen een braam en een framboos had gevonden, doch die mening werd in die tijd niet door iedereen gedeeld. De discussie werd beslecht toen Percy Thomas van het John Innes Institute (Colney, nabij Norwich, Verenigd Koninkrijk) in 1949 het bewijs leverende aan de hand van een genetische studie: het bleek te gaan om een hexaploïde hybride (2n = 6x = 42) tussen de twee oudersoorten. Rechter Logan kreeg derhalve postuum gelijk….

De kruising wordt algemeen aangeduid als Rubus x loganobaccus, waarbij het x-teken derhalve duidt op een soortkruising.

Na de Loganberry van de Californische rechter J.H. Logan volgde nog verscheidende succesvolle pogingen om bramen met frambozen te kruisen, hetgeen resulteerde in diverse hybriden met een meer of minder complexe achtergrond, zoals: Phenomenal-berry, Nessberry, Youngberry, Olallieberry, Boysenberry, Santiam blackberry, Fertödi Bötermö, Sunberry, Silvanberry, Tummelberry en Tayberry. Veel van deze hybriden zijn net als de Loganberry hexaploïd (2n = 6x = 42), sommigen zijn septaploïd (2n = 7x = 49).

In FruitLent is één plant van het ras ‘Buckingham Tayberry‘ aanwezig. Dit is een stekelloze mutant van de originele ‘Tayberry’, welke in 1998 werd gevonden door een teler in Buckinghamshire. De oorspronkelijke Tayberry werd 18 jaar daarvoor (in 1979) geïntroduceerd door het Scottish Crop Research Institute (SCRI) te Invergowrie, nabij Dundee in Schotland en was daar was ontwikkeld door de beroemde kleinfruitveredelaar Derek Jennings (1929-) met de hulp van collega-onderzoeker David Mason.
Jennings kwam op het idee om een verbeterde Loganbes te maken toen hij in 1963 tijdens een bezoek aan Oregon kennis maakte met het toen nieuwe bramenras ‘Aurora’. Dit ras bezat (net als de ‘Mr Aughinbaugh’ die in de voorgaande eeuw door rechter Logan was gebruikt) ook het chromosoomaantal van 56, hetgeen voor een cultuurbraam erg hoog is. Derek Jennings moest meteen denken aan deze overeenkomst en besloot om voor de ontwikkeling van zijn verbeterde Loganbes de braam ‘Aurora’ als kruisingspartner te gebruiken. Daarmee leek het uitgangsmateriaal derhalve zo veel mogelijk op hetgeen voor de Loganbes was gebruikt, echter dan met de vooruitgang van ruim 50 jaar verbetering door selectie. De braam ‘Aurora’ werd gekruist met een tetraploïde framboos. Uit de nakomelingen daarvan werd de hexaploïde ‘Tayberry’ (2n = 6x = 42) geselecteerd, die vervolgens in 1979 werd geïntroduceerd, genaamd naar de Schotse rivier de Tay die langs Invergowrie stroomt.
De ‘Tayberry’ groeit met braamachtige struiken met een middelmatige groeikracht. De jonge scheuten ontstaan (net als bij bramen) uit de voet van de plant en dragen het jaar daarna vruchten aan relatief korte vruchtscheuten. De takken moeten worden geleid tegen een haag, muur of schutting. De methode van geleiding is gelijk aan die van bramen.
De vruchten rijpen in juli en augustus, zijn rood tot donkerrood van kleur, langwerpig van vorm en groot tot zeer groot van formaat (groter dan de ‘Loganberry’). De smaak is friszuur en aromatisch. De beste smaak wordt verkregen indien de vruchten zo rijp mogelijk, in het donkerrode stadium, worden geoogst. De vruchten worden inclusief de bloemboden geoogst, zoals bij bramen, doch zitten vrij vast aan de struik. Door de kwetsbaarheid, zeker in het rijpe stadium, zijn ze niet goed bewaarbaar en transporteerbaar, hetgeen een commerciële beperking oplevert.
De vruchten zijn te gebruiken als bramen of als frambozen, zoals voor verse consumptie, desserts, jam, sap en in taarten.
De plant is gevoelig voor winterkoude en gedijt derhalve het beste in gebieden met zachtere winters. Een mulchdek kan worden gebruikt om de wortels te beschermen tegen kou. De plant is gevoelig voor virusaantasting en kan voorts uiteraard aangetast worden door andere ziekten en plagen die bij bramen en frambozen voor komen.