© FruitLent

EXCLUSIEVE VRUCHTENTUIN OP DE RAND VAN DE STAD

   >> HOME      >> VRUCHTGROENTEN
   
       
  OVERIGE VRUCHTGROENTEN   © FruitLent
 

 

 

   
 

In deze rubriek vindt u alle in FruitLent aanwezige vruchtgroenten die niet uitgebreid in één van de overige rubrieken worden omschreven. Het zijn de gewassen die in FruitLent een geringe betekenis hebben. Het gaat daarbij om de navolgende gewassen:

 

Lampionbessen

De lampionbes wordt gerekend tot het geslacht Physalis, welke tot de familie van de Solanaceae behoort. Daarmee is de lampionbes dus familie van de tomaat, aardappel, paprika en aubergine. De naam Physalis betekent betekent blaas, en is afgeleid van de vorm van de uitgegroeide kelk die de vrucht na de bloei omsluit. Binnen het geslacht Physalis wordt onderscheid gemaakt in een aantal soorten, waarvan we er hieronder enkele zullen beschrijven:

De soort Physalis alkekengi var. franchetii is in Nederlandse tuinen misschien wel het meest vertrouwd. Deze staat ook bekend als de Echte lampionplant of Chinese lantaarns. Deze meerjarige sierplant geeft in de herfst de bekende oranje lampionnen die aan de takken kunnen worden gedroogd en dan kunnen worden verwerkt in droogboeketten. In de lampionnen bevindt zich een klein besje dat echter niet voor consumptie is bedoeld.

Een soort die wel voor consumptie is bedoeld is de Physalis peruviana (syn. Physalis edulis) die in het Nederlands ook wel Ananaskers, Goudbes, Inkabes of Kaapse kruisbes wordt genoemd. De soort is van origine afkomstig uit de Andes, doch wordt wereldwijd in de (sub)tropen gekweekt. Deze groeit aan een tot 1 m hoge plant met breed vertakte zijscheuten, waarbij de vruchten zich vormen in de vertakkingen. De vrucht is een 1 tot 2 cm grote oranje bes, die omhuld blijft door de lichtbruine kelk. Deze lampionnen vallen niet van de plant zodra de vruchtjes zijn gerijpt. Het sappige, licht-oranje vruchtvlees van de vruchtjes smaakt zoet tot zoetzuur met een speciaal aroma. Het aroma doet wel denken aan een mengeling van ananas, tomaat en zwarte bes en wordt niet door iedereen op prijs gesteld. De soort kan ook in Nederland worden geteeld, doch omdat de eerste bessen vrij laat rijpen is teelt in de kas aan te bevelen. Geïmporteerde vruchtjes worden in Nederland vooral rond de kerstperiode in de supermarkt aangeboden in kleine doorzichtige kunststof bakjes, maar de vruchten kunnen het hele jaar op de markt worden gekocht. Ze zijn vaak in de handel onder de geslachtsnaam Physalis. De vruchtjes worden vaak voor garnering van desserts gebruikt.

Een ander eetbaar familielid is de Physalis pruinosa, ook wel Kleine ananaskers, grondkers of aardbeitomaat genoemd. Waarschijnlijk is Physalis pubescens een synoniem. De planten van deze soort blijven kleiner en hebben ook kleinere bladeren. Ook de lampionnen en de bessen zijn wat kleiner dan van de Physalis peruviana. Deze rijpen echter wel vroeger af en vallen automatisch van de plant als ze bijna rijp zijn. Waar het contact met de grond voor de meeste bessen funest is, heeft de lampionbes daar door zijn speciale verpakking geen problemen mee. De vruchtjes kunnen best een week of meer op de grond blijven liggen en kunnen dan gewoon bij elkaar worden geraapt. Mogelijk dat er verschillende selecties van de kleine ananaskers in omloop zijn. De selectie in FruitLent heeft kleinblijvende en lage breed uitgroeiende planten: slechts 30-40 cm hoog en 50-60 cm breed. Door het optillen van de over de grond groeiende zijscheuten, kunnen de lampionnen periodiek bij elkaar worden geraapt. De bessen die zich in deze lampionnen bevinden zijn diepgeel van kleur en 1,2 tot 1,6 cm groot. Doordat de vruchtjes vroeger afrijpen, is de kleine ananaskers geschikter om in Nederland buiten te kweken, mits op een zonnige en beschutte standplaats.

Binnen de eetbare Physalis-soorten kennen we ook nog de Physalis philadelphica (syn. Physalis ixocarpa) die ook wel bekend is als Tomatillo of Mexicaanse tomaat. Deze wijkt het meest af van de twee andere hierboven beschreven eetbare soorten. De tomatillo komt van origine uit Centraal-Amerika, waar ze nog steeds het meest worden gebruikt. Het zijn woekerende planten (tot 2 m hoog) met getande bladeren en groene lampionnen die strogeel afrijpen. De bessen worden 3 tot 6,5 cm groot en barsten met deze omvang bij de oogst letterlijk uit hun lampionnen. De bessen worden in nog onrijpe toestand gebruikt in de Mexicaans geïnspireerde keuken. Rauwe fijngehakte vruchten worden met hun lichtzure smaak bijvoorbeeld gebruikt voor het maken van Salsa Verde. Ook gekookt, gebakken of gefrituurd worden ze gebruikt in sausen, soepen, puree of curries. De meeste tomatillo-rassen hebben groene of paarse vruchten, doch deze kunnen in rijpe toestand ook andere kleuren aannemen. In rijpe toestand kunnen de vruchten ook vers worden gegeten. Tomatillo's geven bij buitenteelt in Nederland redelijke resultaten, mits op een zonnige plaats. Door de sterke groeikracht vraagt het opbinden wel wat aandacht, maar er kan ook voor worden gekozen om de planten niet op te binden en ze als kruipende planten te laten woekeren. Door de woekerende eigenschap kunnen ze beter niet in de kas worden geteeld. De planten van de tomatillo zijn niet zelfbestuivend, waardoor twee of meer planten noodzakelijk zijn voor kruisbestuiving. Dit is de reden waarom solitaire planten zelden veel vruchten zullen dragen.

lampionbes van de soort Physalis pubescens   lampionbes van de soort Physalis pubescens   lampionbes van de soort Physalis pubescens    
Suikermais

Mais of Maïs (Zea mays ssp. mays) is een graansoort die afkomstig is uit Midden-Amerika. Het betreft een domesticatie van de grasachtige plant teosinte (Zea mays ssp. parviglumis), waarbij enkele achtereenvolgende mutaties door de Indiaanse bevolking werden uitgeselecteerd ten behoeve van menselijk gebruik. Door het voortgaande proces van menselijke selectie lijkt de hedendaagse mais nog nauwelijks op de teosinte.

Nadat Columbus Amerika 'ontdekte' werd de plant ook in Europa geïntroduceerd. De selectie voor koudere klimaten hebben de Europeanen zelf gedaan, waardoor de grens waar mais kan worden geteeld steeds verder opschuift naar het noorden.

In de loop der tijden zijn er diverse toepassingen voor mais onstaan, zoals korrelmais (veevoer, maizena, maisbrood, tortilla's), snijmais (veevoer), suikermais (menselijke consumptie), pofmais (popcorn) en siermais. Ook als energiegewas voor de productie van bioenergie heeft mais betekenis gekregen. Voor al deze toepassingsgebieden zijn verschillende rassen geselecteerd. Alle commerciële rassen zijn vandaag de dag F1-hybriden. Alleen voor siermais worden nog populatierassen gebruikt.

We zullen ons hier beperken tot de suikermais (Zea mays convar. saccharata). Binnen deze groep wordt onderscheid gemaakt tussen normaal zoete en dubbelzoete rassen.

Bij de teelt van suikermais is het van belang dat deze niet wordt bestoven door andere maistypen. Het telen van suikermais naast een akker met snijmais is dus geen goed idee. De zoete smaak onstaat namelijk alleen indien de suikermais door eigen stuifmeel wordt bestoven. De eigenschap om suiker in het endosperm van de korrels te vormen (en dus geen zetmeel) is in genetisch opzicht namelijk een recessief kenmerk. Indien de suikermais wordt bestoven door snijmais, dan verkrijgt de inhoud van de korrel de eigenschap van de snijmais en zal deze dus zetmeel bevatten en geen suiker. De eigenschap om zetmeel te vormen is immers dominant over de eigenschap om suiker te vormen.

Hetzelfde effect kan zich voor doen indien er siermais in dezelfde (volks)tuin staat als de suikermais. Ongewenste bestuivingen zullen ertoe bijdragen dat een gedeelte van de korrels in de kolf geen suiker bevatten, maar zetmeel. Dit zal de eetkwaliteit nadelig beïnvloeden.

Om dezelfde reden mogen de normaal zoete suikermaisrassen niet bestoven worden door de dubbelzoete suikermaisrassen en omgekeerd. De eigenschap normaal zoet en dubbelzoet berusten namelijk op verschillende recessieve genen met de aanduidingen "su" (sugary-1) en "sh2" ("shrunken-2). Bestuiving tussen deze beide suikermaistypen zal ertoe leiden dat de eigenschap om suiker te vormen in plaats van zetmeel bij beide genen over en weer wordt opgeheven, waardoor er toch zetmeel in de korrels wordt gevormd.

De meeste suikermaisrassen die in de handel zijn, behoren tot het dubbelzoete type. Bij deze dubbelzoete rassen kunnen de korrels wel tot 20% suiker bevatten (en dus zeer weinig zetmeel).

In FruitLent is aanwezig:
'Applause': Dit F1-hybride ras is een dubbelzoete variëteit die daarnaast wordt aangeduid als SE (dit staat voor Sugary Enhanced). Daarom wordt het type van 'Applause' ook wel aangeduid als: sh2-se. Variëteiten met de combinatie sh2-se (ofwel dubbelzoet met Sugary Enhanced) worden ook wel aangeduid als tripelzoet. 'Applause' heeft een goede groeikracht, geel gekleurde korrels, een goede vulling van de kolf tot bovenin en een goede houdbaarheid na de oogst. Moet voor de instandhouding van de combinatie dubbelzoet met SE geïsoleerd worden geteeld en mag dus niet worden bestoven door andere types !

kolven van suikermais 'Applause'   mannelijke pluimen van suikermais 'Applause'   kolf van suikermais 'Applause'