© FruitLent

EXCLUSIEVE VRUCHTENTUIN OP DE RAND VAN DE STAD

   >> HOME      >> FRUITGEWASSEN
   
       
  OVERIGE FRUITGEWASSEN   © FruitLent
 

 

 

   
 

In deze rubriek vindt u alle in FruitLent aanwezige fruitgewassen die niet uitgebreid in één van de overige rubrieken worden omschreven. Het zijn de gewassen die in FruitLent een geringe betekenis hebben. Het gaat daarbij om de navolgende gewassen:

 

Aalbessen

De aalbes wordt meestal tot de botanische soort Ribes rubrum gerekend, doch de meeste cultuurrassen zijn in werkelijkheid ontstaan uit soortkruisingen tussen Ribes multiflorum, Ribes petraeum en Ribes rubrum. De gecultiveerde aalbessen worden ook wel aangeduid als Ribes sativum (sativum betekent gecultiveerd).

De wetenschappelijke geslachtsnaam Ribes is waarschijnlijk afgeleid van het Arabische woord "ribas", wat zo veel betekent als "zuur smakende plant".

De aalbes wordt in het Nederlandse spraakgebruik al naar gelang de kleur van de bessen onderverdeeld in rode bessen, witte bessen en roze bessen (deze laatste zijn zeldzaam). In botanisch opzicht bestaat er echter geen enkel verschil tussen rode, witte en roze bessen. De zwarte bes wijkt wel af van de aalbes; deze behoort namelijk tot een andere botanische soort met de naam Ribes nigrum.

In FruitLent staan vier aalbessenstruikjes, welke in enkelvoudige spil worden opgekweekt. In FruitLent gaat het om de navolgende vier rassen:

'Red Lake': Dit ras is afkomstig is van de Agricultural Experiment Station van de University of Minnesota (Verenigde Staten) en is in 1933 geïntroduceerd. Het ras rijpt middentijds en geeft een redelijke productie aan lange los gevormde trossen met grote rode bessen. De bessen vallen ten opzichte van andere rassen op door de opvallend zoete smaak. Daardoor wordt 'Red Lake' ook wel gewaardeerd door mensen die andere bessen niet aangenaam vinden. Uit onderzoek is gebleken dat niet een hoge concentratie aan vruchtensuikers de oorzaak is voor de zoete smaak, maar juist het lage gehalte aan zuren. Helaas is het ras was vatbaarder voor de Amerikaanse kruisbessenmeeldauw (Spaerotheca mors-uvae). Het ras wordt commerciëel niet of nauwelijks meer geteeld, maar is voor particuliere tuinen waardevol vanwege de zeer goede smaak.

'Albatros': Dit is een witte bessenras welke afkomstig is van de Texelse kleinfruitteler L. Huisman uit Den Burg. Het ras is onstaan in 1975 en is in 1990 geïntroduceerd. In de beginjaren werd dit ras ook wel 'Witte van Huisman' genoemd. Dit ras is als toevalszaailing ontstaan in een aanplant van 'Red Lake'. Het ras lijkt daarom in alle opzichten op 'Red Lake', met dien verstande dat de bessen en de trossen iets kleiner zijn dan van het moederras, doch wel groter dan van de ouderwetse witte bessenrassen (zoals 'Witte Parel'). Net als 'Red Lake' heeft ook 'Albatros' een heel goede smaak en is deze ook wat vatbaarder voor de Amerikaanse kruisbessenmeeldauw. Door de zeer goede smaak waardevol voor particuliere tuinen.

'Gloire des Sablons': Dit ras is een roze bes van Franse herkomst (1854). Het ras rijpt tamelijk vroeg tot middentijds en geeft een goede opbrengst met middellange trossen met tamelijk grote lichtroze doorschijnende bessen. Net als de twee bovenomschreven rassen smaken de bessen goed. Roze bessen zijn een zeldzame verschijning: omdat er van de zijde van consumenten weinig belangstelling is voor dergelijke vaalroze bessen, worden ze beroepsmatig (vrijwel) niet geteeld. Het is derhalve een echte liefhebbersplant.

'Red Poll': Dit is een betrekkelijk nieuw Engels rode bessenras, welke is ontstaan uit een kruising van 'Red Lake' met een selectie welke is onstaan uit Ribes longeracemus x Ribes multiflorum. Het ras valt op door de extreem lange trossen. Met name bij jonge struiken zijn de trossen zeer lang (40 tot 60 bessen per tros, ofwel 15 tot 20 cm lang), maar ook aan het oudere hout worden nog redelijk lange trossen gevormd. De tamelijk donkerrode bessen rijpen laat en hebben een zure smaak. Het ras is weinig gevoelig voor bloem- en vruchtrui. 'Red Poll' is resistent tegen bladvalziekte, maar in de eerste groeijaren enigszins vatbaar voor meeldauw op de jonge scheuten.

rode aalbes 'Red Lake'   witte aalbes 'Albatros'   roze aalbes 'Gloire des Sablons'   rode aalbes 'Red Poll'
Aardbeiboom

De aardbeiboom (Arbutus unedo) is een groenblijvende struik welke behoort tot de heidefamilie (Ericaceae). Zij is inheems in het Middellandse Zeegebied en langs de Atlantische kust tot Zuidwest-Ierland. Zij wordt geteeld in Frankrijk, Griekenland, Italië, Spanje en China. In Nederland is de plant winterhard tot minus 15 graden Celcius. In Nederland houdt zij van een beschutte zonnige standplaats met niet te veel wind. Hoewel de meeste familieleden uit de Ericaceae van zure grond houden verdraagt de aardbeiboom ook minder zure grond, maar de grond moet wel goed doorlatend zijn.

De aardbeiboom heeft niets met aardbeien te maken, doch wordt zo genoemd vanwege de (vermeende) gelijkenis van de vruchten met die van een aardbei.

De stevige glanzende lancetvormige bladeren van de aardbeiboom hebben een gezaagde rand. De bloemen groeien in trossen aan het eind van de scheuten en bloeien pas in het najaar, op het moment dat andere bomen zich opmaken voor de winter. Dit betekent dat de jonge vruchtjes aan de struik overwinteren en pas in het opvolgende jaar uitgroeien tot 2 à 2½ cm grote vruchten met een harde knobbelige schil. De vrucht rijpt van geel naar roodbruin. Het vruchtvlees is geel van kleur en smaakt zurig en is weinig aromatisch. Door de harde knobbelige schil lijken de vruchten meer op een litchi dan op een aardbei. Het duurt ongeveer een jaar voordat de vruchten rijp zijn en daardoor zie je dus bloemen en vruchten terzelfde tijd aan de plant.

De vruchten worden in het buitenland wel gebruikt bij de bereiding van sommige wijnen en likeuren, of soms verwerkt tot jam. In de Algarve (Portugal) wordt van de vruchten (legaal en illegaal) een drank met de naam Medronho gedestilleerd met een zeer hoog alcoholpercentage: 45 tot 60% en soms nog hoger. De vrucht is in Nederland in blik verkrijgbaar bij sommige etnische winkels. De bloesem levert een licht bittere honing op.

De wetenschappelijke naam Arbutus unedo behoeft nog enige toelichting. De naam Arbutus is een samenstelling van het Keltische Ar wat ruig (behaard), maar ook wrang betekent, en butus, wat struik betekent. Dit naar aanleiding van de wrange smaak van de vruchten en bladeren. Het woord unedo is afgeleid van unus (één) en edere (eten), ofwel: éénmaal eten. Wie ze dus éénmaal gegeten heeft, heeft er vervolgens genoeg van !

Deze bijzondere boom staat in het siertuingedeelte van FruitLent en is daar in de zomer van 2007 geplant. De boom droeg in 2008 voor het eerst vruchten en zoals u hieronder kunt zijn, zijn deze zeer fotogeniek:

bladeren en bloeiwijzen aardbeiboom   rijpende vruchten aardbeiboom   rijpe vruchten aarbeiboom    
bloeiwijze aardbeiboom   onrijpe vrucht aardbeiboom   bloeiwijze aardbeiboom    
de geoogste vruchten van de aardbeiboom zijn erg fotogeniek   de geoogste vruchten van de aardbeiboom zijn erg fotogeniek   de geoogste vruchten van de aardbeiboom zijn erg fotogeniek    
Citroenen

In FruitLent is één citroenenboom (Citrus limon) aanwezig. Het betreft een geënte boom van het oude Italiaanse ras 'Lunario'. Dit ras geeft langwerpig gevormde vruchten en wordt ook wel 'Quattro Stagioni' ofwel de vierjaargetijden-citroen genoemd, omdat zij bij elke groeispurt opnieuw bloemen geeft en dus dikwijls tegelijkertijd bloemen en vruchten draagt.

Omdat de citroen in het Nederlandse klimaat niet winterhard is, staat de boom in FruitLent in een grote pot en overwintert deze 's winters op een vorstvrije plaats. Citrusplanten houden ervan om 's winters niet te warm te overwinteren, bij voorkeur overdag niet warmer dan 12 graden Celcius.

Citrusplanten hebben in het Nederlandse klimaat vaak last van chlorose (gele bladverkleuring) doordat bepaalde mineralen bij lagere temperaturen moeilijk kunnen worden opgenomen. Ook kan aantasting door schildluizen een hardnekkig probleem zijn. Vanwege deze citrus-gerelateerde problemen hebben wij eind 2010 besloten om onze citroenboom uit de collectie van FruitLent te verwijderen.

citroenboom van het ras 'Lunario' in een pot   aan deze onrijpe vrucht is de specifieke langwerpige vorm van de vruchten van 'Lunario' goed zichtbaar   aan deze rijpede vrucht is de specifieke langwerpige vorm van de vruchten van 'Lunario' goed zichtbaar  
bloesems van citroen 'Lunario'            
Frambozen

De framboos wordt tot de botanische soort Rubus idaeus gerekend.

Er wordt onderscheid gemaakt tussen zomerframbozen en herfstframbozen. De zomerframboos vormt vruchten aan de zijscheutjes die groeien aan het hout dat de vorige zomer is gegroeid. Zomerframbozen rijpen in het normale seizoen dat loopt van eind juni tot begin augustus, al naar gelang het ras. De herfstframboos daarentegen vormt vruchten aan de toppen van de scheuten die in dezelfde zomer zijn gegroeid. Daardoor rijpen herfstframbozen later: de vroegste herfstframbozen sluiten qua oogsttijdtip aan op de laatste zomerframbozen. De oogst van herfstframbozen loopt vervolgens door tot in het najaar wanneer de weersomstandigheden te slecht worden. Omdat de bloeiperiode van herfstframbozen grotendeels valt buiten de vlucht van de frambozenkever, blijven herfstframbozen grotendeels verschoond van de bekende wormpjes in de vruchten. Na de oogst kunnen bij herfstframbozen alle scheuten met de grond gelijk worden afgesnoeid. Dit kan bij zomerframbozen natuurlijk niet, omdat er anders het jaar erna geen oogst zou zijn.

In FruitLent zijn in een verloren hoek twee speciekuipen ingegraven; deze kuipen moeten ervoor zorgen dat de frambozen niet gaan woekeren. In deze speciekuipen zijn vier rassen herfstframbozen geplant, waarvan twee roodvruchtige rassen en twee geelvruchtige rassen: in elke kuip staat één roodvruchtig en één geelvruchtig ras door elkaar. De volgende vier rassen zijn aanwezig:

'Heritage': Dit ras is afkomstig is van het New York State Agricultural Experiment Station in Geneva, New York State, Verenigde Staten. Het ras ontstond uit een kruising van ('Milton' x 'Cuthbert') x 'Durham' en werd in 1969 geïntroduceerd. Het is een sterke groeier met een hoge productie aan middelmatig grote stevige rood gekleurde vruchten met een goede smaak. Er zijn ook enkele geelvruchtige mutanten van 'Heritage' bekend: 'Goldie', 'Kiwi Gold' en 'Great-N-Gold'. Geen van deze geelvruchtige mutanten is in FruitLent aanwezig.

'Fallgold': Dit ras is afkomstig is van professor Elwyn M. Meader uit New Hampshire (Verenigde Staten) en werd in 1967 geïntroduceerd. Het ras groeit niet zo sterk en geeft een matige opbrengst aan tamelijk grote geel gekleurde zachte vruchten die buitengewoon zoet smaken.

'Autumn Bliss': Dit ras is afkomstig van het East Malling Research Station (Horticultural Research Institute), Kent, Engeland. Het ras heeft een complexe afstamming en werd in 1983 geïntroduceerd. Het is een sterke groeier met een goede opbrengst aan tamelijk grote, tamelijk stevige, vrij donkerrood gekleurde vruchten met een goede smaak.

'Golden Bliss': Dit is een geelvruchtige mutant van 'Autumn Bliss'. In de meeste kenmerken lijkt 'Golden Bliss' op het oorspronkelijke moederras, met dien verstande dat de vruchten oranjegeel van kleur zijn en ook de planten geen anthocyaan in de takken hebben. Hierdoor hebben de takken een meer bleekgroene kleur dan van het moederras. De vruchten van 'Golden Bliss' zijn steviger doch smaken minder zoet dan die van 'Fallgold'.

rode herfstframboos 'Fallgold'   rode herfstframboos 'Heritage'        
rode herfstframboos 'Autumn Bliss'   gele herfstframboos 'Golden Bliss'        
Honingbessen

De honingbes wordt gerekend tot de botanische soort Lonicera caerulea. Binnen deze soort wordt wel onderscheid gemaakt tussen Lonicera caerulea var. edulis en Lonicera caerulea var. kamtschatica (deze laatste ook wel kortweg: Lonicera kamtschatica). Dit onderscheid wordt echter niet overal gehanteerd en de namen worden vaak ook door elkaar gebruikt, waardoor sprake is van verwarring en onduidelijkheid.

Met de geslachtnaam Lonicera is in ieder geval wel duidelijk dat het gaat om een nauwe en eetbare verwant van de kamperfoelie. De naam honingbes is kennelijk een zeer vrije vertaling van de Engelse naam voor kamperfoelie: Honeysuckle. Deze vrije vertaling vinden we eigenlijk niet zo goed gekozen, want naar honing smaken de vruchtjes van de honingbes in ieder geval zeker niet.
De plant staat ook wel bekend onder de namen meibes, junibes, blauwe honingbes, blauwe haagbes of Siberische bosbes. Ook zijn ze wel bekend onder de Duitse naam "Maibeeren". In dit rijtje alternatieve namen zien we er enkele staan die de lading veel beter zouden dekken dan de naam honingbes. Zo lang de meeste Nederlandstalige bronnen echter uit gaan van de naam honingbes, volgen we op deze website deze naamgeving (met enige tegenzin).

De honingbes is inheems in oost-Rusland, in Siberië, de Kaukasus, in het noorden van China en op de eilanden rondom de Zee van Ochotsk (Koerilen en Sachalin). De wetenschappelijke naam 'kamtschatica' verwijst naar het oost-Siberische schiereiland Kamtschatka.

Door het omschreven herkomstgebied is de honingbes extreem winterhard (tot minus 40 à 45 graden Celcius) en heeft de plant een korte vegetatieperiode: tussen bloei en afrijpen van de vruchten zit slechts drie maanden. De geelwitte klokvormige bloempjes bloeien al heel vroeg in het seizoen, namelijk al in maart als de meeste andere bomen en struiken nog kaal zijn. De vruchtjes rijpen reeds vanaf eind mei tot in juni. Daarmee is de honingbes één van de vroegst rijpende fruitgewassen die in Nederland kan worden gekweekt. Ondanks het zeer vroege bloeitijdstip, treedt nachtvorstschade aan de bloemen gewoonlijk niet op. De bloemen kunnen namelijk vorst tot minus 8 graden Celcius doorstaan.

De vruchtjes van de honingbes zijn langwerpig van vorm, 1 tot 2 cm lang en wegen gemiddeld ½ tot 2 gram. Ze zijn blauw van kleur en hebben een sterke waslaag. Het vruchtvlees is groen van binnen. De smaak is zoetzuur en doet wat denken aan die van blauwe bessen (trosveenvessen, Vaccinium corymbosum).

Voor het overige heeft de honingbes niets te maken met blauwe bessen. Zij hebben dan ook geen zure grond nodig zoals bij blauwe bessen. Honingbessen zijn tevreden met een normale bodem, mits deze voldoende vochtig is. Qua bemesting stellen ze ook weinig eisen.

De struiken van de honingbes hebben meestal een rechtop groeiwijze, doch groeien niet erg snel. De struiken worden na verloop van jaren niet hoger dan 1 tot 1½ meter. Elke struik heeft ongeveer één vierkante meter aan ruimte nodig. De snoei lijkt op die van zwarte bessen, waarbij het oude hout regelmatig wordt vervangen door nieuwe scheuten die in het hart van de struik ontstaan.

Door de korte vegetatieperiode sluit de groei al vroeg in het seizoen af. Het loof wordt ook al vanaf eind augustus / begin september vaal en valt relatief vroeg af. Deze korte vegetatieperiode zien we ook bij andere gewassen die uit arctische gebieden afkomstig zijn, zoals bij de poolbramen (elders op deze pagina).

Er zijn geen ziekteproblemen bij de teelt van honingbessen. Wel zullen de rijpende vruchtjes moeten worden afgeschermd van de vogels.

Voor de beste vruchtzetting is het aan te bevelen om minimaal twee verschillende rassen met gelijke bloeiperiode bij elkaar aan te planten. Veel rassen verschillen onderling op het oog overigens minimaal. Bij beproevigen kunnen wel kleine verschillen tussen de rassen worden vastgesteld in de gemiddelde grootte van de vruchtjes en in de opbrengstcapaciteit per struik. Volgens Duitse proefgegevens bedraagt de opbrengst van zesjarige struiken zo'n 2,0 tot 2,7 kg per struik.

In FruitLent zijn sinds het najaar van 2008 drie struikjes aangeplant van de navolgende rassen:

'Maistar': Deze zou behoren tot de botanische variëteit Lonicera caerulea var. edulis. Het ras is onder de naam 'Maistar' op de markt gebracht door Häberli Obst- und Beerenzentrum AG te Neukirch-Egnach in Zwitserland. Bloeit gelijk met 'Amur'. De vruchtjes rijpen al erg vroeg, vanaf eind mei. Rijpe vruchtjes vallen gemakkelijk van de struik. De vruchtjes hebben aan de bloemzijde een spits uiteinde en een wat onregelmatige vorm. De vruchtjes hadden in 2010 een gemiddeld vruchtgewicht van 0,6 gram.

'Amur': Deze zou ook behoren tot de botanische variëteit Lonicera caerulea var. edulis. Het ras is afkomstig van het Research Institute of Fruit and Decorative Trees (RIFDT) in Bojnice (Slowakije) en werd geselecteerd uit vrij bestoven zaailingen van het Russische ras 'Gerda'. Geïntroduceerd in 2001. Ten opzichte van 'Maistar' hebben de bladeren in het voorjaar iets meer roodbruine verkleuring. 'Amur' bloeit gelijk met 'Maistar', doch geeft iets grotere vruchtjes die iets later rijpen (juni). De vruchtjes hebben aan de bloemzijde een stomp uiteinde en lopen dus niet uit in een puntje, zoals die van 'Maistar'. De vruchtjes hadden in 2010 een gemiddeld vruchtgewicht van 1,0 gram.

'Kiev No. 8': Deze zou behoren tot de botanische variëteit Lonicera caerulea var. kamtschatica. In ieder geval zien de struiken er met hun grijsgroene licht behaarde bladeren en wat gespreide groeiwijze anders uit dan die van 'Maistar' en 'Amur', waarin steun kan worden gevonden voor de opvatting dat het hier inderdaad zou gaan om een andere botanische variëteit. Het ras staat ook bekend onder de Amerikaanse merknaam 'Blue Velvet' ® en is afkomstig uit de USSR botanische tuin van Kiev (Oekraïne). Het gaat van origine om een selectie van de Monero, Iturup of Kunashir eilanden. Bloeit relatief laat, duidelijk later dan 'Maistar' en 'Amur'. Geeft verhoudingsgewijs grote dikke vruchtjes die wat later rijpen. De vruchtjes hadden in 2010 een gemiddeld vruchtgewicht van 2,1 gram.

   
bloemen van de honingbes 'Maistar' vruchten van de honingbes 'Maistar'
bloemen van de honingbes 'Maistar' geoogste vruchten van de honingbes 'Maistar'
vruchten van de honingbes 'Amur' vruchten van de honingbes 'Amur'
bloemen van de honingbes 'Kiev No. 8'vruchten van de honingbes 'Kiev No. 8'    
Kerspruimen

De kerspruim, of ook wel myrobalaan genoemd, is géén kruising tussen een kers en een pruim, zoals de naam zou kunnen suggereren. Het betreft een zelfstandige botanische soort met de naam Prunus cerasifera. Deze soort heeft vrijwel zeker aan de wieg gestaan van de Europese cultuurpruim (Prunus domestica).

De kerspruim is eveneens bekend als fruitgewas en geeft kleine vruchten ter grootte van een kers (zie daar de naam), welke echter over het algemeen minder smaakvol zijn dan die van de Europese cultuurpruim. Daarom is de kerspruim als fruitgewas niet bijzonder populair, alhoewel er in het buitenland wel diverse rassen bestaan die speciaal voor de vruchtdracht zijn bedoeld.

Meer populariteit heeft de kerspruim gekregen als onderstam voor het enten van Europese cultuurpruimen of voor het enten van sommige andere Prunus-fruitsoorten. Er zijn derhalve speciale rassen uitgeselecteerd die alleen als onderstam worden toegepast, zoals bijvoorbeeld het onderstamras 'Myrobalan B'.
Lees hier verder de toepassing van kerspruim als onderstam.
En van het Spaanse ras 'Adara' is bekend dat deze kan worden gebruikt als tussenstam, waarmee bestaande Japanse pruimen-, perziken- of nectarinebomen kunnen worden omgeënt naar zoete kersen. En het nieuwe Californische ras 'RI-1' wordt ook toegepast als universele tussenstam voor zoete kersen die daarmee kunnen worden geënt op diverse gangbare pruimen- en perzikonderstammen.

Tot slot worden bepaalde rassen van de kerspruim als sierboom toegepast.

Dit laatste is ook in FruitLent het geval, want van het bekende sierras 'Nigra' zijn in het voorjaar van 2007 twee bomen aangeplant welke aan een speciaal daarvoor opgerichte gegalvaniseerd stalen stelling als leiboom worden opgekweekt in een palmet-vorm. Het ras 'Nigra' bloeit in het voorjaar al vroeg en zeer rijk met fraaie roze bloesems, gevolgd door prachtige donkerrode bladeren. Qua vruchtzetting is de 'Nigra' niet erg uitbundig; zij draagt gewoonlijk namelijk slechts enkele vruchtjes. Deze hangen met een tamelijk lang en dun steeltje aan de boom en vallen met hun donkere paarsrode kleur tussen het blad nauwelijks op. De vruchtjes rijpen eind juli / begin augustus. Het vruchtvlees is ook rood van kleur, vrij week, heeft een vast zittende kleine steen en een niet al te uitgesproken zoete tot friszure smaak met een vrij harde zurige schil.

Het ras 'Nigra' wordt vanwege de rode bladkleur en de fraaie bloei veel als tuin- en parkboom toegepast.

de kerspruim 'Nigra' heeft prachtige dieprode bladeren bloemknoppen van kerspruim 'Nigra' de vruchten van kerspruim 'Nigra' vallen tussen het rode blad nauwelijks op  
leiboom van kerspruim 'Nigra' bloesems van kerspruim 'Nigra' vruchten van kerspruim 'Nigra'  
bloesems van kerspruim 'Nigra' de kerspruim 'Nigra' heeft prachtige dieprode bladeren bloesems van kerspruim 'Nigra' vrucht van kerspruim 'Nigra'
Krenten

Het krentenboompje (of rotsmispel of Amerikaans krentenboompje) behoort tot het geslacht Amelanchier. Dit geslacht is inheems in de gematigde gebieden van het noordelijk halfrond. De meeste Amelanchier-soorten komen van origine uit Noord-Amerika, terwijl enkele soorten inheems zijn in Europa en Azië.

Voor de in Europa gecultiveerde krentenboom wordt meestal de botanische naam Amelanchier lamarckii gebruikt. Deze zou in de 17-de eeuw in Europa geïntroduceerd zijn vanuit Noord-Amerika, mogelijk uit het oosten van Canada. De soort komt daar in het wild echter niet voor en daarom wordt wel verondersteld dat het gaat om een soortkruising tussen Amelanchier laevis en Amelanchier arborea (of eventueel Amelanchier canadensis). Deze soortkruising wordt ook wel wordt aangeduid als Amelanchier x grandiflora (oude synoniemen: Amelanchier botryapium lanceolata en Amelanchier canadensis grandiflora).

Krentenboompjes zijn winterharde heesters die weinig nieuwe scheuten vormen, maar de neiging hebben via hun hoofdtak door te groeien tot een meerstammige boomvormige struik. Het krentenboompje heeft 3-7 cm lange bladeren, die in de herfst een prachtige oranjerode herfstkleur hebben. De witte bloemen zitten in trossen en verschijnen in overvloed. De bloemen worden opgevolgd door de roodblauw verkleurende eetbare bessen die in de eerste helft van juli afrijpen. Ze worden ongelijktijdig rijp, zodat groene, donkerrode en blauwzwarte vruchtjes door elkaar aan de struik voor komen. Wie krenten wil eten, zal dus regelmatig de struik moeten afzoeken naar rijpe vruchtjes. De vogels doen dit echter ook en zijn daarbij meestal sneller: zonder vogelafweer komt u daarom meestal niet aan het proeven van de krenten toe. De krent is van nature zoet van smaak. Er kan jam van worden gemaakt of ze kunnen gedroogd worden, zodat ze later in compote kunnen worden gebruikt. Of ze kunnen worden gebruikt als vervanger van echte krenten.

Het krentenboompje heeft tijdens de bloei en in de herfst een hoge sierwaarde en wordt om die reden veel in tuinen en parken toegepast.

In het fruittuingedeelte van FruitLent is in het najaar van 2005 een krentenboompje van het ras 'Ballerina' aangeplant. Dit ras is wat productiever omdat deze wat meer en wat grotere bessen geeft. Bovendien is dit ras minder vatbaar voor aantasting door meeldauw.

bloesems van krentenboom   bloeiende krentenboom        
fraaie herfstkleuren   fraaie herfstkleuren        
rijpende krenten van 'Ballerina'   rijpende krenten van 'Ballerina'        
Loquat

De loquat wordt ook wel Japanse wolmispel, Japanse mispel of neffel genoemd en behoort tot de botanische soort Eriobotrya japonica. Deze soort wordt net als veel andere fruitgewassen ingedeeld in de familie van de Rosacea, onderfamilie Maloideae. Tot deze onderfamilie behoren ook de appel, de peer, de mispel, het krentenboompje en enkele andere bekende soorten fruit- en siergewassen.

De loquat komt van origine uit China, doch wordt nu op diverse plaatsen in de wereld geteeld, zoals in Japan, Brazilië, de Verenigde Staten en in de landen rondom de Middenlandse Zee.

De loquat is een groenblijvende kleine boom of grote struik met een vrij oppervlakkig wortelstelsel. De bomen hebben een afgeronde kroon, een korte stam en wollige nieuwe twijgen. De enkelvoudige bladeren hebben aan de onderzijde een viltige beharing, zijn alternerend geplaatst en 10 tot 25 cm lang.

Loquats hebben een voor fruitbomen ongebruikelijke eigenschap, namelijk dat de bloemen pas verschijnen in de late herfst tot vroege winter en de vruchten vervolgens afrijpen in het voorjaar. Dit geldt voor de mediterrane gebieden of voor bomen die in Nederland als kuipplant in een serre / orangerie worden gehouden.
Bij bomen die in Nederland buiten zijn geplant worden de bloemknoppen wel voor de winter gevormd, doch bloeien de bloemen pas in maart / april en valt de oogsttijd vervolgens in juli / augustus. Doordat de bloemknoppen en bloemen dus gedurende de winter aan de boom zitten, zijn deze gevoelig voor beschadiging door vorst. Hierdoor is het bij buiten uitgeplante bomen in Nederland moeilijk om ook daadwerkelijk vruchten aan de boom te krijgen. Immers: alleen in zeer zachte winters op beschutte plaatsen zullen de bloemknoppen c.q. bloemen niet bevriezen en kunnen deze uitgroeien tot vruchten. Bij kuipplanten die 's winters vorstvrij overwinteren, is het eenvoudiger om vruchten te verkrijgen.

De geurende witte tot geelwitte bloemen zijn zo'n 2 cm in diameter en worden in trossen van 3 tot 10 stuks gevormd aan het uiteinde van de scheuten. De bloemen zijn zelfbestuivend. De 3 tot 5 cm grote vruchten die vervolgens worden gevormd zitten dus ook in trossen en zijn afhankelijk van de variëteit rond, ovaal of peervormig en hebben een gele tot oranje licht behaarde schil. Alhoewel de schil dun is, kan deze toch vrij gemakkelijk worden verwijderd als de vrucht rijp is. Bij de oogst blijven de kelkblaadjes aan de vrucht zitten.

Het stevige vruchtvlees kan wit, geel of oranje van kleur zijn en heeft een zoete tot friszure smaak. De smaak wordt soms wel vergeleken met abrikozen, of tussen appels en abrikozen in. Midden in de vrucht zitten 1 tot 5 pitten (meestal 3 tot 5), die niet kunnen worden gegeken. De pitten zijn zelfs licht giftig, omdat ze net als appelpitten kleine hoeveelheden cyaniden bevatten.

De vruchten hebben een hoog pectinegehalte en kunnen worden gebruikt voor verse consumptie, jam, chutney, vruchtensalade en als vulling voor taarten.

De loquat wordt (mede door de groenblijvende eigenschap) ook wel aangeplant als sierboom. De boom is in het Nederlanse klimaat niet geheel winterhard, waardoor de groene bladeren tijdens perioden van strenge wintervorst schade kunnen oplopen. De kans op wintervorstschade is het kleinst op een beschutte plaats met niet te veel wind.

Er zijn enkele tientallen rassen van de loquat bekend, ook in het herkomstgebied China, welke vegetatief worden vermeerderd door ze te enten op een onderstam. Als onderstam worden ook wel gewone mispels (Mespilus germanica) of kweeperen (Cydonia oblonga) gebruikt, welke dus beiden familielid van de loquat zijn.

Tot slot nog een toelichting op de botanische naamgeving van de loquat: de geslachtsnaam Eriobotrya betekent: "met wollig fruit als een druiventros", en de soortnaam japonica betekent: "afkomstig uit Japan".

In maart 2010 is in het siertuingedeelte van FruitLent een boom aangeplant van een onbekende cultivar (waarschijnlijk met ronde vruchten met wit vruchtvlees). Vanwege de afwijkende bloeitijd, verwachten we eigenlijk niet dat we er vaak vruchten van zullen oogsten. Wij zien het dan ook vooral als een leuke wintergroene botanische curiositeit die wel past in onze collectie.

wollige groeitop van de loquat   wintergroene bladeren van de loquat        
Moonshine-kiwi

Het gaat hier om een familielid van de gewone kiwi en de kiwibes. Plantmateriaal van de moonshine-kiwi wordt incidenteel in de handel aangeboden onder de wetenschappelijke naam Actinidia pilosula, welke soort ook wel bekend is onder de wetenschappelijke benamingen Actinidia kungshanensis en Actinidia callosa var. pilosula. Deze soort groeit van origine op circa 2.000 tot 2.700 meter hoogte in bergachtige bossen van Yunnan (Zuidwest-China) tot in het noorden van Birma en het zou in dit herkomstgebied gaan om een bedreigde soort.

Onlangs is echter bekend geworden dat de planten die in de handel als moonshine-kiwi worden aangeboden helemaal niet tot de soort Actinidia pilosula behoren; hierover verderop meer.

De planten van de moonshine-kiwi vallen op doordat de bladeren in de toppen van de jonge scheuten die in het voorjaar verschijnen gedeeltelijk tot volledig wit van kleur zijn. Deze opvallende bladkleur maakt de soort tot een spectaculaire klimplant met een hoge sierwaarde. Daar komt bij dat de planten in juni bloeien met fraaie paarsroze bloemen met een diameter van zo'n 2 cm. De bloemen trekken bijen en hommels aan. Later in de zomer kan de witte bladkleur gedeeltelijk verdwijnen onder invloed van zonlicht; de witte delen verkleuren dan eerst roze-rood. Vanwege de invloed van zonlicht behoudt de moonshine-kiwi zijn fraaie bladkleur het langst op plaatsen in de half-schaduw.

Ondanks de zeer hoge sierwaarde is de moonshine-kiwi tot nu toe een zeldzame verschijning in siertuinen. Planten zijn alleen bij sommige gespecialiseerde kwekers te koop.

Net als de overige Actinidia-soorten is de moonshine-kiwi tweehuizig; er bestaan derhalve mannelijke en vrouwelijke planten. Er zijn echter uitsluitend mannelijke planten in de handel. Het is niet bekend waarom er geen vrouwelijke planten beschikbaar zijn en het is derhalve ook niet bekend hoe de vrouwelijke planten er uit zien en of deze vruchten dragen met een goede consumptiekwaliteit. Derhalve moet de moonshine-kiwi vooralsnog worden gezien als een leuke botanische curiositeit die alleen sierwaarde heeft, zo lang er geen informatie over de vrouwelijke planten beschikbaar is.

Onlangs is bekend geworden dat de mannelijke planten die in de handel als Actinidia pilosula worden aangeboden tot een andere tot nu toe onbekende Actinidia-soort behoren. Het is niet bekend wie deze planten onder de onjuiste wetenschappelijke naam in de handel heeft gebracht en wat de juiste wetenschappelijke naam is van de planten die in de handel zijn. Het is echter in ieder geval geen Actinidia pilosula, want de echte Actinidia pilosula heeft bredere bladeren en geel gekleurde bloemen.

Sinds het voorjaar van 2010 is in FruitLent een Moonshine-kiwi aanwezig, derhalve een mannelijke plant. Indien u weet hoe we een vrouwelijke plant kunnen bemachtigen en/of indien u weet wat de juiste wetenschappelijke naam van de moonshine- kiwi is, dan ontvangen we graag een e-mail.

blad van de moonshine-kiwi   mannelijke bloemen van de moonshine-kiwi   bladeren van de moonshine-kiwi    
Paarse frambozen

Met de naam paarse framboos wordt geduid op een soortkruising tussen de gewone framboos zoals we deze in Europa kennen (Rubus idaeus) en de zwarte framboos (Rubus occidentalis). De paarse framboos wordt aangeduid met de zelfstandige wetenschappelijke benaming Rubus x neglectus. Het x-teken voor de soortnaam duidt er dus op dat deze is ontstaan uit een soortkruising.

Alvorens we dieper in gaan op de paarse framboos, is het noodzakelijk om eerst meer te vertellen over de zwarte framboos.

De zwarte framboos (Rubus occidentalis) groeit van origine in het oosten van Noord-Amerika. Het gaat om een plant met een braamachtige groeiwijze met tot 4 meter lange fraaie bedauwde blauw-paars gekleurde gestekelde scheuten. Door de opvallende kleur met waslaag, zijn de scheuten in de wintermaanden ook decoratief. Door de braamachtige groeiwijze ontstaan de nieuwe grondscheuten vanuit het hart van de plant en derhalve niet spontaan op diverse plaatsen vanuit de wortels, zoals dit bij gewone frambozenplanten het geval is. Ondanks dat de planten van zwarte frambozen dus meer weg hebben van bramen dan van frambozen, worden ze toch "zwarte framboos" genoemd. Dit komt omdat de bloembodem ten tijde van de oogst aan de plant blijft zitten, waardoor de geoogste vruchten aan de onderzijde hol zijn (zoals bij een gewone framboos). Bij bramen breekt de bloembodem bij de oogst los van de plant en blijft deze in de vrucht zitten. Bij de naamgeving van de zwarte framboos is dus aansluiting gezocht bij de vorm van de vruchten en niet bij de groeiwijze van de planten.
De vruchten van de zwarte framboos rijpen naar een ongewone paarszwarte kleur met een grijs-paarse dauwlaag en zijn ten opzichte van gewone frambozen wat kleiner van omvang. De smaak is zoet, doch sterker en aromatischer dan van de gewone frambozen. De vruchten zijn prima geschikt voor verse consumptie en laten zich ook goed verwerken. Er zijn enkele mutanten van de zwarte framboos bekend die het vermogen missen om paarse kleurstof te vormen, waardoor de vruchten geel worden. Deze mutanten zijn echter vrij onbekend en moeten overigens niet worden verward met de geelvruchtige variëtieten van de gewone framboos.

Paarse frambozen (Rubus x neglectus) zijn voortgekomen uit meer of minder complexe kruisingen tussen gewone frambozen en zwarte frambozen. De eerste paarse framboos verscheen omstreeks 1878. De groeiwijze van paarse frambozen zit in principe tussen de beide oudersoorten in, doch van de geïntroduceerde paarse rassen lijkt de groeiwijze het meest op die van de zwarte framboos. Dit betekent dat de nieuwe grondscheuten ontstaan vanuit het hart van de plant en derhalve niet spontaan op diverse plaatsen vanuit de wortels. De scheuten kunnen behoorlijk lang worden en hebben een dieprode tot paarse kleur met meestal ook zo'n opvallende grijze waslaag, afkomstig van de zwarte ouder. De vruchten rijpen in juli gedurende het normale frambozenseizoen en zijn qua structuur vergelijkbaar met die van gewone frambozen, doch hebben een diep donkerrode tot paarse kleur met een dauwlaag. De vruchten hebben ten opzichte van gewone frambozen een sterker aroma. Door de "vreemde" vruchtkleur worden paarse frambozen in Europa nauwelijks commerciëel geteeld en zijn het dus echte liefhebbersplanten die moeilijk verkrijgbaar zijn.

In FruitLent zijn twee rassen van de paarse framboos aanwezig:

'Brandywine': Dit ras werd geselecteerd uit een complexe kruising op het New York State Agricultural Experiment Station, onderdeel van de Cornell University. 'Brandywine' is ontstaan uit een kruising van de donkere paarse framboos 'NY 631' met de gewone rode framboos 'Hilton'. De kruising werd in 1963 gemaakt, vervolgens werden 172 zaailingen beoordeeld, waarvan in 1966 zeven planten werden geselecteerd. Eén van deze planten kreeg de voorlopige kwekersaanduiding 'NY 905' en werd in 1976 geïntroduceerd als 'Brandywine'.
Het ras geeft relatief grote aantrekkelijke vruchten (5-6 gram), rond tot conisch van vorm, purperrood van kleur met middelmatige dauwlaag, stevig, aromatisch van smaak. De planten zijn zeer groeikrachtig met gestekelde scheuten. Vatbaar voor Verticillium.

'Glen Coe': Dit ras werd door Derek Jennings (1929-) geselecteerd op het Scottish Crop Research Institute (SCRI) in Schotland. Dit ras, met de aanvankelijke kwekersaanduiding 'SCRI 7751C4', werd omstreeks 1989 geïntroduceerd. 'Glen Coe' is een diploïd ras welke is ontstaan uit een kruising van de gewone rode framboos 'Glen Prosen' met een ongestekelde zwarte framboos. Deze ongestekelde zwarte framboos was overigens ook een vinding van Derek Jennings, die hij ontwikkelde door de stekelloze eigenschap via complexe kruisingen vanuit het oude frambozenras 'Burnetholm' in zwarte frambozen in te kruisen. De door Derek Jennings ontwikkelde stekelloze zwarte framboos is later op andere plaatsen ook nog gebruikt voor de ontwikkeling van nieuwe stekelloze zwarte frambozenrassen.
'Glen Coe' is dus een paarse framboos die als gevolg van de afstamming ongestekelde scheuten heeft. De planten zijn groeikrachtig met lange paarse bedauwde scheuten. Middelgrote paarse vruchten met een opvallende dauwlaag, rond tot conisch van vorm, stevig, aromatisch van smaak. Rijpt wat vroeger dan 'Brandywine'. De planten hebben een gemiddelde tot goede productiviteit en zijn resistent tegen Verticillium, doch gevoelig voor koud voorjaarsweer.

paarse framboos 'Glen Coe'   paarse framboos 'Glen Coe'        
Poolbramen

Dit gewas behoort tot het bramengeslacht en is ook wel bekend als: Noordse braam, Arctische braam, Arctische framboos of Zweedse akkerbes. Ook staan ze wel bekend onder de Duitse naam "Allackerbeeren".

Bij de gecultiveerde poolbraam gaat het om de botanische soort Rubus arcticus subsp. x stellarcticus die in 1980 voor het eerst werd beschreven. Deze gecultiveerde ondersoort is ontstaan uit de kruising van twee natuurlijke ondersoorten van de poolbraam, namelijk: de Zweedse poolbraam (Rubus arcticus subsp. arcticus) en de Amerikaanse poolbraam (Rubus arcticus subsp. stellatus). Deze laatste groeit in het westen van Alaska.

De kruising is in de periode 1953-1978 ontwikkeld door professor Gunny Larsson van de Swedish University of Agricultural Science (Vasterbotten, Zweden). Volgens Larsson heeft de kruising de beste eigenschappen van de beide ouders geërfd en is de kruising bovendien superieur aan de beide ouders. De kruising bloeit uitbundiger en in een kortere periode en de oogst is groter dan bij één van de ouders. De gecultiveerde poolbraam erfde van de Zweedse poolbraam het specifieke aroma van de vruchten en van de Amerikaanse poolbraam de groeikracht en de uniforme rode kleur en de geur van de bloemen.

Poolbramen vormen 10 tot 30 cm hoog groeiende ongestekelde struikjes met sterke drang tot uitlopervorming. De planten groeien derhalve als een bodembedekker. Om overwoekering met onkruid te voorkomen moeten ze op korte afstanden van elkaar worden aangeplant.

Na de fraaie donkerroze bloemen vormt de plant kleine eetbare rode braamachtige vruchten, die in juli afrijpen. De vruchten smaken aangenaam zurig en zijn aromatisch. Ze zijn geschikt voor verse consumptie en voor verwerking. Gerechten waarin poolbramen zijn verwerkt moeten worden gezien als exclusief.

Doordat poolbramen van origine in arctische gebieden groeien, hebben de planten een korte vegetatieperiode. Hierdoor stopt de plant reeds vroeg met groeien en begint daarna geel te worden. Een dergelijke korte vegetatieperiode zien we ook bij andere gewassen die uit arctische gebieden afkomstig zijn, zoals bij de Honingbessen (elders op deze pagina). Door de korte vegetatieperiode is de plant eigenlijk alleen fraai rondom de bloeiperiode. Alhoewel de bloemen van de gecultiveerde poolbraam tweeslachtig zijn, zijn deze niet zelfbestuivend. Daarom is voor de vruchtzetting het aanplanten van minimaal twee verschillende rassen noodzakelijk. Omdat de struikjes laag blijven, is de opbrengst per m² verhoudingsgewijs laag. Het gewas heeft daardoor in Nederland geen commerciële waarde.

Poolbramen zijn wel gebruikt in veredelingsprogramma's voor frambozen, waarbij is getracht het exclusieve poolbramen-aroma in nieuwe frambozenrassen in te kruisen. De aldus ontstane hybride wordt wel aangeduid met de naam nectar-framboos, waarvan 'Heija' (1975) en 'Heisa' (1981) bekende rassen zijn.

In FruitLent zijn in het voorjaar van 2008 in het siertuingedeelte twee verschillende gecultiveerde poolbramen aangeplant naast de aanwezige vijver. Er is gekozen voor twee verschillende rassen in verband met de bestuiving, te weten:

'Linda': Ontwikkeld door professor Gunny Larsson en geïntroduceerd in 1980. Rijpt het eerste en heeft de donkerste en meest aromatische bessen.

'Beata': Ontwikkeld door professor Gunny Larsson en geïntroduceerd in 1982. Geeft een goede oogst van goede bessen.

Alhoewel de 'Linda' en 'Beata' in FruitLent in het voorjaar van 2009 tegelijktijdig bloeiden, werden er desalniettemin geen vruchten gevormd. Het heeft er veel van weg dat deze poolbramen in FruitLent moeten worden gezien als een leuke botanische curiositeit, zonder dat deze een werkelijke fruitteeltkundige waarde hebben. Ook in 2010 werden geen vruchten gevormd. Mogelijk zijn de twee struikjes toch niet van twee verschillende rassen, waardoor de bestuiving te wensen over laat ?

poolbramen 'Linda' en 'Beata'   bloeiende poolbraam 'Linda'        
Siberische mini-kiwi

Het gaat hier om een familielid van de gewone kiwi en de kiwibes met de wetenschappelijke naam Actinidia kolomikta. Helaas heeft deze botanische soort nog steeds geen éénduidige Nederlandse naam gekregen. Er zijn voor deze soort dan ook diverse namen in gebruik geraakt, zoals: Arctic Beauty-kiwi, hardy kiwi, super hardy kiwi, kattenkiwi, Amur-kiwi, Flamingo-kiwi, Siberische kruisbes, Mantsjoerijnse kruisbes of kiwibes. Sommige van de gebruikte benamingen worden echter ook gebruikt voor de soort Actinidia arguta (kiwibes), waardoor het er qua naamgeving niet overzichtelijker op wordt. Zo lang er geen goede éénduidige Nederlandse naam voor de soort Actinidia kolomikta in gebruik is, gebruiken we hier de benaming "Siberische mini-kiwi".

De Siberische mini-kiwi is genetisch diploïd: 2n = 2x = 58.

De Siberische mini-kiwi groeit als een klimplant in de gemengde bossen van het uiterste oosten van Rusland, het noordoosten van China, Korea en Japan. Van alle Actinidia-soorten is deze het meest winterhard, tijdens de winterrust tot wel minus 40 ºC. Ondanks dat de planten dus zeer winterhard zijn, lopen ze in het voorjaar erg vroeg uit en de uitlopende scheutjes kunnen dan wel beschadigd raken door late voorjaarsvorst. De groeikracht is wat minder krachtig dan van de meeste andere Actinidia-soorten.

De plant heeft een aantrekkingskracht op katten die de planten kunnen beschadigen door het krabben aan bladeren, takken en wortels. Daardoor kan het noodzakelijk zijn om de planten aan de voet te beschermen tegen katten. De bijnaam "kattenkiwi" heeft natuurlijk alles te maken met deze eigenschap.

Net als de andere Actinidia-soorten is de Siberische mini-kiwi tweehuizig. Er bestaan dus mannelijke en vrouwelijke planten, alhoewel (net als bij de andere Actinidia-soorten) zeer incidenteel ook tweeslachtige planten voor kunnen komen. De planten hebben grofgetande hartvormige bladeren van 7,5 tot 16 cm lang. Sommige bladeren hebben witte bladpunten die later naar rozerood verkleuren. Hierdoor hebben de planten een hoge sierwaarde en worden ze regelmatig als klimplant in siertuinen toegepast. De mate van witte/rozerode bladverkleuring kan echter variëren al naar gelang het ras. Selecties die speciaal voor de sier bedoeld zijn worden in de handel aangeboden onder de benamingen 'Arctic Beauty' en 'Adam'. Het gaat daarbij om mannelijke vormen die dus geen vruchten dragen, doch die vanwege de sierwaarde wel veel witte en rozerode bladverkleuring vertonen.

Na het aanplanten beginnen de planten al snel te bloeien, soms al in hetzelfde jaar, of het jaar erna. De planten bloeien in mei met één centimeter grote bloemen die wit tot licht citroengeel van kleur zijn. Vrouwelijke planten dragen daarna kleine groene vruchtjes met een gladde vruchthuid en een vruchtgewicht van slechts circa 2 tot 5 gram. Alhoewel de vruchtjes dus behoorlijk klein zijn, smaken deze buitengewoon goed door de zoete en zeer aromatische smaak. Het vitamine-C gehalte van de vruchtjes bevindt zich tussen de 750 en 1.500 mg per 100 gram en is derhalve extreem hoog, nóg aanzienlijk veel hoger dan van de gewone kiwi en de kiwibes.

De vruchtjes rijpen al in augustus / september en de rijpe vruchtjes vallen gemakkelijk van de plant. Bovendien rijpen de vruchtjes van de meeste selecties ongelijkmatig. Sommige hobbyisten spannen een net onder de planten om de rijpe vruchtjes op te vangen.

Door de vroege rijping van de vruchtjes kunnen de planten van de Siberische mini-kiwi ook worden geplant op half-schaduwrijke plaatsen. Ze kunnen zelfs groeien tegen muren die op het noorden of noordoosten zijn gericht. Aanplanten op half-schaduwrijke plaatsen is zelfs gewenst omdat de sierlijke witte en rozerode verkleuring van de bladeren dan langer in stand blijft.

Commerciële beperkingen van de soort Actinidia kolomikta zijn:
- verhoogde kans op nachtvorstschade (en dus misoogst) door het zeer vroege uitlopen van de planten;
- de kleine vruchtjes die meestal ongelijkmatig afrijpen en bovendien afvallen zodra ze rijp zijn geworden.

In FruitLent zijn twee rassen van de Siberische mini-kiwi aanwezig:

'Ananasnaya': Dit is een vrouwelijk ras welke werd geselecteerd door de bekende Russische veredelaar Ivan V. Mitsjoerin (1855-1935); deze heeft in het begin van de 20-ste eeuw veel selectiewerk uitgevoerd dat leidde tot enkele rassen die met name waren bedoeld voor inwoners in grote gebieden van Rusland met zeer lage wintertemperaturen, waardoor de inwoners van die gebieden toch in staat zouden zijn om eetbare vruchten in hun tuin te telen. Het ras 'Ananasnaya' is één van zijn selecties en wordt daarom ook wel aangeduid als 'Ananasnaya Michurina'. Deze naam kan worden vertaald als "Mitchurin's ananas" en refereert aan de smaak van de vruchtjes. Mitchurin heeft geschreven dat het ras werd geselecteerd uit een groep derde-generatie Actinidia kolomikta zaailingen die in 1925 werden opgekweekt. Er wordt door anderen echter ook wel gesuggereerd dat het zou gaan om een soortkruising met Actinidia arguta. De planten van 'Ananasnaya' bloeien met alleenstaande bloemen, die daarna kleine vruchtjes geven die vroeg afrijpen en qua vorm kunnen variëren van rond tot ovaal en daarbij bovendien licht geribbeld kunnen zijn.

'Vlada': Dit is een mannelijk ras welke werd geselecteerd door de bekende Belgische Actinidia-verzamelaar, Christian de Kezel uit Sint-Amandsberg (Oost-Vlaanderen). Hij ontving in 1984 zaden van Actinidia kolomikta uit de botanische tuin van Vladivostok. In die tijd was deze soort hier nog nagenoeg onbekend en voor het uitbreiden van de Actinidia-verzameling was Christian de Kezel dus aangewezen op de toen nog moeilijk toegankelijke Sovjet-Unie. Uit de ontvangen zaden selecteerde hij een vrouwelijk ras die hij de naam 'Vladi' gaf. Een mannelijke selectie kreeg de naam 'Vlada'. 'Vlada' blijkt een waardevolle bestuiver te zijn voor vrouwelijke rassen, omdat deze rijkelijk bloeit en een lange bloeiperiode heeft: deze bloeit reeds voor het openen van de eerste vrouwelijke bloemen en nog een week na het openen van de laatste vrouwelijke bloemen. De bloemen komen in trosjes van 1 tot 3 stuks. De planten van 'Vlada' gaan reeds zeer snel bloeien, gewoonlijk al het eerste jaar na het stekken. De bladeren van 'Vlada' hebben een minder uitgesproken witte en rozerode bladverkleuring in vergelijking tot de mannelijke planten die speciaal voor de sierwaarde in de handel zijn.

vrouwelijke bloemem van de Siberische mini-kiwi 'Ananasnaya'   mannelijke bloemen van de Siberische mini-kiwi 'Vlada'